^ Inhoud  

Vakantie en verlof -- Vakantie
Artikel 60: Vakantiedagen
  1. De werknemer met een volledige werkweek bouwt als volgt vakantiedagen op:
    • De werknemer van 18 jaar of ouder: per maand 2 1/12 vakantiedag.
      Dit betekent 25 dagen op jaarbasis.
    • De werknemer jonger dan 18 jaar: per maand 2 1/3 vakantiedag. Dit betekent 28 dagen op jaarbasis.

Voor de indeling in één van bovengenoemde groepen is de leeftijd aan het begin van het vakantiejaar bepalend. Op de vakantiedagen worden feest- en gedenkdagen zoals bedoeld in artikel 26 sub c, d en e in mindering gebracht. Tijdens verlof in het kader van de levensloopregeling bouwt de werknemer geen vakantiedagen op.

  1. De werknemer die aan het begin van het vakantiejaar 55 jaar of ouder is, heeft recht op extra vakantiedagen:

    55-57 jaar 1 dag
    58-59 jaar 2 dagen
    60-61 jaar 3 dagen
    62 jaar 4 dagen
    63 jaar 5 dagen
    64 jaar 6 dagen

    Als de werknemer deelneemt aan de seniorenregeling zoals bedoeld in artikel 85, vervalt het recht op extra vakantiedagen. 

  2. De werknemer die bij aanvang van het vakantiejaar 10 of meer jaren in dienst is bij dezelfde werkgever heeft per vakantiejaar recht op extra vakantiedagen:

  3. 10-20 jaar 1 dag per jaar
    20-30 jaar 2 dagen per jaar
    30 jaar of meer 3 dagen per jaar
    • De werknemer van 18 jaar of ouder kan van de dagen die zijn opgebouwd op grond van lid 1 sub a 15 aaneengesloten dagen opnemen, tenzij de bedrijfsomstandigheden zich hiertegen verzetten. Als de bedrijfsomstandigheden zich verzetten tegen het opnemen van vakantiedagen over een aaneengesloten periode, heeft de werknemer met een dienstverband van 6 maanden of meer recht op 10 aaneengesloten vakantiedagen.
    • De werknemer van 18 jaar of ouder met kwalificatieplichtige kinderen jonger dan 18 jaar:
      • mag tijdens de schoolvakantie in de zomer 10 aaneengesloten vakantiedagen opnemen.
      • kan niet verplicht worden om te werken in het weekend direct voorafgaand of direct aansluitend op deze 10 dagen.
    • De werknemer jonger dan 18 jaar kan van de dagen die zijn opgebouwd op grond van lid 1 sub b 18 aaneengesloten vakantiedagen opnemen, tenzij de bedrijfsomstandigheden zich hiertegen verzetten. In dat geval kan de werknemer tenminste 15 aaneengesloten vakantiedagen opnemen.
  4. De werkgever heeft het recht om 2 vakantiedagen tijdig aan te wijzen.
  5. De werknemer heeft het recht om één keer per 2 jaar 35 vakantiedagen aaneengesloten op te nemen. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:
    • De werknemer heeft voor de aanvang van deze verlofperiode voldoende vakantiedagen opgebouwd.
    • De werknemer heeft het verzoek tenminste 12 maanden voor aanvang van de verlofperiode bij de werkgever ingediend en de periode is in overleg tussen de werkgever en de werknemer vastgesteld.
    • Het bedrijfsbelang en met name de planning van werkzaamheden verzetten zich niet tegen het verlof.
  6. De werknemer mag op vakantiedagen geen betaalde arbeid voor derden verrichten.
  7. De werkgever en de werknemer kunnen in onderling overleg besluiten dat bovenwettelijke vakantiedagen die niet zijn opgenomen worden uitbetaald.


Zie ook de volgende documenten:
  ^ Inhoud